Gezondheid

PKD:

is een afkorting van Polycystic Kidney Disease. Dit is een erfelijke aandoening die bij katten voorkomt. Bij dieren die deze afwijking hebben, zijn in beide nieren meerdere cysten (=holtes met vloeistof) aanwezig. Kenmerkend is dat zowel het aantal cysten, als de omvang van de cysten toeneemt met de leeftijd. Klachten ontstaan dan ook meestal pas op middelbare-oudere leeftijd. Dan pas zijn er zoveel cysten en zulke grote cysten dat het normale nierweefsel in zijn functie tekort gaat schieten.

Nieren filteren het bloed en scheiden de afvalstoffen uit de urine. Naast deze filterfunctie hebben de nieren ook een belangrijke rol in de aanmaak van rode bloedcellen, het op peil houden van de bloeddruk, het op peil houden ven de juiste hoeveelheden vitamine D, calcium en kalium in het bloed (belangrijk voor de botten, spieren en zenuwen), het op peil houden van de zuurgraad van het bloed, enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Voor geen enkele vorm van chronisch nierfalen bestaat een therapie waarmee we de nieren weer kunnen genezen. Ook bij de mensen niet. Mensen met een ernstig chronisch nierfalen worden meerdere malen per week gedialyseerd tot er een niertransplantatie kan worden uitgevoerd. Dialyse of transplantatie wordt bij huisdieren niet toegepast. Wel wordt er doormiddel van een aangepast dieet voor gezorgd dat er minder afvalstoffen in het bloed komen. Uiteindelijk worden de nieren zo slecht en wordt het dier zo ziek dat meestal moet worden overgegaan tot euthanasie.

Belangrijker dus dan het behandelen van dieren die aan erfelijke afwijkingen lijden, is voorkomen dat de erfelijke ziekten zich verder verspreiden in volgende generaties. Dat kan alleen doormiddel van het testen van de ouders van de kittens. Alleen als de dieren gechipt zijn en het chipnummer van het dier overeenkomt met het nummer dat op de test uitslag staat heeft een test uitslag waarde.

Er zijn duidelijke verschillen tussen de rassen. Bij de Perzische kat en de Exotics komt PKD het meeste voor (naar schatting heeft in Nederland ongeveer 1 op de 3 van de Perzen populatie deze aandoening), maar dus ook bij rassen waarin Perzen zijn gebruikt komt PKD voor.
Rassen die een percentage perzisch bloed meedragen en dus risico lopen zijn onder andere de Exotic Shorthair, de Selkirk Rex, de Britse Korthaar, de Scottish Fold, de Heilige Birmaan, de Ragdoll, de Amerikaanse korthaar, de Devon Rex en de Maine Coon. Ook bij de Noorse Boskat, de Sphynx, de Oosterse Korthaar, de Cornish Rex, de Abbessijn, de Somali, de Manx en de Burmees werden er ooit Perzen gebruikt.

 

HCM:

Inmiddels is er een DNA test beschikbaar voor HCM. Het gaat over 1 gen dat gevonden is. Dus testen op HCM met ECHO blijft heel erg BELANGRIJK!!
HCM is de afkorting voor Hypertrofische CardioMyopathie. Dit is een aandoening van de hart spier, die gekenmerkt wordt door het dikker worden van de hart spier. Deze aandoening kan zowel verkregen zijn (bijv. door een te hard werkende schildklier) maar ook erfelijk.
De erfelijke vorm van HCM leidt meestal al op jonge leeftijd tot problemen (<2 jaar), maar ook kennen we katten die een geleidelijker ziekteverloop hebben.
Bij de erfelijke HCM zijn de spier vezels op microscopisch niveau afwijkend en functioneren niet normaal. Uiteindelijk leidt dit tot een gestoorde werking
van het hart. Katten kunnen acuut dood neervallen of symptomen ontwikkelen als benauwdheid, slecht eten, vermageren, achterhands verlamming.
Bij de Maine Coon is al redelijk wat onderzoek gedaan en hier lijkt HCM autosomaal dominant over te erven. Of dit bij andere katten en bij alle Maine Coon's zo is, weten we niet. Waarschijnlijk zijn er, in analogie naar de mens,
meerdere genen die HCM kunnen veroorzaken. HCM kan bij alle ras katten voorkomen. “Bekende rassen” zijn o.a. de Maine Coon, Brits Korthaar en Ragdoll.
Echter ook bij andere rassen komt het voor, maar omdat daar vaak nog beperkt getest wordt en ook niet altijd sectie wordt gedaan, is hier nog weinig informatie over beschikbaar.

HCM kan onderkend worden met een echografisch onderzoek. Een negatieve test (normaal beeld) is helaas geen garantie voor “HCM vrij” zijn.
Hoe ouder de kat is bij een test, des te meer waarde heeft een negatieve test. De meeste katten met HCM ontwikkelen dit nl. meestal op jonge leeftijd.
Het meest ideale zou dus zijn om ouders, grootouders en overgrootouders te testen. Daarnaast moet zoveel mogelijk sectie gedaan worden
bij katten die onverwachts overlijden. Op deze manier moet het mogelijk zijn om bepaalde lijnen in kaart te brengen.
Voor dieren waar actief mee wordt gefokt, geldt een advies om de HCM test jaarlijks te herhalen.
Voor dieren die niet meer actief in de fok zijn, maar wel nakomelingen hebben, is het test advies 2-jaarlijks.

 

FeLV:

FeLV is een virusziekte met een dodelijke afloop. Het virus kan leukemie (tumoren van de witte bloedcellen) veroorzaken, maar dit is niet de ziekte die het meeste optreedt na infectie. Het virus tast namelijk het immuunsysteem van de kat aan (immunosuppressie) waardoor ze gevoeliger zijn voor infecties.

Het ziektebeeld van FeLV wordt daardoor vooral veroorzaakt door secundaire infecties.

 

Hoe kan een kat besmet raken met het virus?

 

Na infectie vermeerdert het virus zich in de tonsillen in de keel en verspreidt zich naar het beenmerg, lymfevaten en lymfeknopen. Het virus komt in het bloed en vanaf dan is het aan te tonen door middel van een bloedtest. Als de speekselklier wordt geïnfecteerd dan zal de kat virus gaan uitscheiden en vanaf nu is de kat besmettelijk voor andere katten!.

Vooral speeksel bevat dus hoge concentraties virus en dit is ook de voornaamste manier van overdracht van de ene kat op de andere. FeLV wordt voornamelijk door langdurig sociaal contact met andere katten overgedragen. Denk bijvoorbeeld aan uit elkaars bakje eten of elkaar wassen, want via speeksel, bloed, urine en ontlasting kan het virus overgebracht worden. Een drachtige poes kan het virus via de placenta overbrengen op haar kittens (en later via de moedermelk). Dit kan leiden tot abortus of geboorteafwijkingen maar er kunnen ook gezonde kittens geboren worden die virusdrager blijven.

FeLV wordt voornamelijk door langdurig sociaal contact overgedragen, maar ook door een bijtwond met vechten. Bij FIV daarentegen geschied de voornaamste overdracht veel meer door een directe bijtwond met vechten en in veel mindere mate door langdurig sociaal contact.

 

Katten die in een groep samenleven en onderling niet vechten hebben dus ook kans op besmetting als er een kat met FeLV in de groep zit.

 

Niet alle katten die besmet raken met het virus worden ziek.
Gezonde, sterke katten met een goed immuunsysteem kunnen het virus bestrijden en overwinnen. Deze katten scheiden geen virus uit en worden er niet ziek van.

 

Katten die het virus niet kunnen bestrijden worden ziek.
Katten die het virus niet kunnen bestrijden , bijvoorbeeld door een vermindere weerstand, zullen het virus gaan uitscheiden. Zij zijn zelf nog niet ziek maar al wel besmettelijk voor andere katten. Ze worden daarom ook wel "dragers" genoemd. In de loop van enkele maanden tot jaren (3 jaar) zullen zij ziekteverschijnselen gaan vertonen.

 

Er bestaat een leeftijdsresistentie.

  • Bij jonge kittens zal 70-100% ziek worden.
  • Bij kittens van 8-12 weken oud wordt 30-50% ziek.
  • Bij volwassen katten wordt 10-20% ziek.

FeLV ziekteverschijnselen:

  • Tumoren. De meest voorkomende tumor is maligne lymfoom maar ook leukemie, tumoren in lever, nieren, buikvlies of milt kunnen ontstaan.
  • Bloedarmoede doordat het beenmerg niet goed meer functioneert.
  • Vermageren
  • Benauwdheid
  • Koorts
  • Sloomheid
  • Zwelling van lymfeknopen
  • Oogontstekingen zoals uveitis
  • Slecht eten
  • Voortplantingsproblemen bijvoorbeeld abortus, sterfte van pasgeboren kittens, onvruchtbaarheid.
  • Verlammingsverschijnselen

    FIV:

    FIV wordt veroorzaakt door een virus dat verwant is aan het HIV virus bij de mens dat AIDS veroorzaakt. FIV wordt daarom ook wel kattenaids genoemd. FIV kan alleen de kat besmetten en niet de mens. Het is geen zoonose!!

    Hoe kan een kat besmet raken met het FIV-virus?

    Het virus wordt overgebracht via bloedcontact. Vooral via vecht- en bijtwonden worden katten geïnfecteerd. Omdat katers veel vaker vechten is het percentage geïnfecteerde katers tweemaal zo groot als geïnfecteerde poezen. De ziekte komt het meest voor onder normale huiskatten die naar buiten gaan. Katten die binnenshuis leven in een groep waar de rangorde bepaald is zullen elkaar niet snel besmetten doordat ze niet veel vechten met elkaar.

    Ook bij dekkingen wordt er vaak gebeten (nekbeet) waardoor een poes geïnfecteerd kan worden door de kater. Een drachtige poes kan het ook via de placenta en later via de moedermelk overbrengen op haar kittens .

    Bij FIV geschiedt de voornaamste overdracht veel meer door een directe bijtwond met vechten en in veel mindere mate door langdurig sociaal contact. FeLV wordt daarentegen voornamelijk door langdurig sociaal contact overgedragen en in een veel mindere mate door een bijtwond met vechten.

  • Wat zijn de symptomen van FIV?

  • Het ziekteverloop is vergelijkbaar met HIV. Het virus tast het immuunsysteem (immunosuppressie) van de kat aan waardoor deze gevoelig wordt voor allerlei infecties.

      Na infectie met het FIV virus zijn er een aantal stadia:
    • 1. Acute stadium. Dit stadium kan zonder ziekteverschijnselen optreden. Soms wordt alleen wat koorts waargenomen.
    • 2. Asymptomatische fase. In deze fase vertoont de kat geen ziekteverschijnselen. Deze periode kan een aantal jaren duren, soms zelfs langer dan 5 jaar. De kat kan wel andere katten besmetten.
    • 3. Fase met vage, algemene symptomen zoals terugkerende koorts, oogontstekingen (uveitis) verminderde eetlust en vermageren.
    • 4. AIDS gerelateerd stadium. Dit is het stadium waarin het de eigenaar opvalt dat de kat niet in orde is. Veel voorkomende ziekteverschijnselen zijn: tandvleesontstekingen, oogontstekingen, vermageren, lymfeknoopzwelling, benauwdheid, diarree. Deze symptomen worden over een periode van enkele maanden steeds erger.
    • 5. AIDS. Uiteindelijk zal een deel van de katten een stadium bereiken vergelijkbaar met AIDS bij de mens. De kat vermagert, krijgt chronische ziekteproblemen en allerlei secundaire infecties die hij niet kan overwinnen bijvoorbeeld longonsteking. Neurologische verschijnselen (zenuwafwijkingen) worden nogal eens waargenomen bij katten met AIDS.

    Demodex komt maar zelden voor bij katten en als ze gevonden worden is FIV een van de oorzaken, want door een verlaagde weerstand kunnen de Demodexmijten bij een kat problemen veroorzaken.

  • Kattenaids is helaas niet te genezen. De therapie bestaat uit het onderdrukken van de secundaire infecties met antibiotica. Specifieke antivirale therapie met Interferon van virbac is mogelijk maar is niet 100% werkzaam. Het is daarbij een dure behandeling en wordt daarom in de praktijk nog niet veel toegepast.

    Er is momenteel in Nederland nog geen vaccin beschikbaar tegen FIV.

    Het is erg belangrijk dat katten waarbij FIV is gediagnosticeerd geen andere katten kunnen besmetten. Dit betekent dat ze alleen gehuisvest moeten worden en dat ze ook niet meer naar buiten mogen. Dit ter bescherming van andere katten!

    Hoe is FIV te voorkomen?

    Het risico op infecties met FIV is het kleinst bij katten die binnen worden gehouden. Katten die in een groep leven, goed met elkaar overweg kunnen en dus niet veel vechten lopen de minste kans.

    Katten die in grotere groepen worden gehouden, bijvoorbeeld in catteries of in dierenasiels/pensions dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Positieve dieren dienen geïsoleerd te worden van de negatieve katten.

    Wordt een nieuwe kat geïntroduceerd in een bestaande groep dan is het verstandig deze kat eerst te testen alvorens hij in de groep mag. De kat zal dan eerst 4 weken in quarantaine (apart gehouden van de rest) moeten en daarna kan bloedonderzoek plaatsvinden.

    En zeker als u uw kat laat dekken is het van zeer groot belang dat u de negatieve test van de andere kat onder ogen krijgt, let hierbij ook op dat de test niet ouder dan 1/2 a 1 jaar is.